Misschien is de grootste misvatting over seksualiteit wel dat we denken dat er iets moet gebeuren, dat we iets moeten voelen en dat het ergens naartoe moet gaan. Wanneer we naar seksuele problemen kijken doen we dat vaak zoals we naar bijna alles in het leven kijken: helpt het, werkt het, word ik er beter van. Dat klinkt logisch, want zo hebben we geleerd naar problemen te kijken. Als iets goed is dan zie je vooruitgang, je merkt verschil en het moet iets opleveren. Alleen werkt het lichaam niet op die manier.
Dat besefte ik opnieuw door mijn dochter. De afgelopen twee jaar heeft zij grotendeels op bed gelegen. Zelfs liggen kostte energie. Haar lichaam was uitgeput en alles ging langzaam en voorzichtig, zelfs liggen deed soms pijn. Nu komt ze langzaam weer in beweging omdat bewegen nodig is als ze ooit weer een beetje normaal wil functioneren. Maar bewegen voelt niet altijd goed en het geeft ook niet meteen resultaat. Soms wordt ze er eerst juist vermoeider van.
Op een gegeven moment hebben we daarom de vraag omgedraaid. We kijken niet meer of iets haar beter maakt maar alleen of het haar slechter maakt. Als het antwoord nee is dan is dat al genoeg. Daarmee valt meteen een grote druk weg, namelijk dat het nu moet werken en dat je vooruitgang móét voelen. Als iets je niet meteen beter hoeft te maken ontstaat er ruimte en juist in die ruimte kan een lichaam herstellen. Niet in een rechte lijn en zeker niet snel, maar langzaam en eerlijk in het tempo dat het lichaam aankan in plaats van het tempo van onze wil.
Wat ik daar zie gebeuren herken ik ook in seksualiteit en relaties. Mensen willen meer voelen, meer verlangen, meer ontspanning en meer verbinding. Daardoor hopen ze dat gesprekken, oefeningen, aanraking of tijd samen meteen iets opleveren. Maar seksualiteit lijkt veel meer op een lichaam dat herstelt. Het opent zich niet onder druk. Een bekken opent niet omdat je dat besluit. Verlangen verschijnt niet omdat je dat wilt en verbinding verdwijnt vaak juist zodra je haar probeert af te dwingen.
Toch blijven we vaak dezelfde vraag stellen, namelijk wanneer ga ik iets voelen en word ik hier beter van. Misschien is dat niet de vraag die helpt. Misschien is de vriendelijkere vraag of het je slechter maakt. Als het antwoord nee is dan is dat al genoeg. Genoeg om te blijven oefenen, genoeg om elkaar te blijven aanraken en genoeg om in beweging te blijven in het contact zonder dat elke aanraking iets moet opleveren of ergens naartoe moet.
En juist dan gebeurt er soms iets bijzonders. Een warm gevoel, een onverwacht maar oprecht compliment of een klein moment van echte verbinding. Niet omdat het moest, maar omdat het lichaam eindelijk de ruimte kreeg.












